Definitie
- Spontane bacteriële peritonitis (SBP) is een acute of
subacute bacteriële ontsteking van het peritoneum zonder aanwezigheid van
etiologische factoren zoals een perforatie van het maagdarmkanaal, een
intra-abdominaal abces, een acute ontsteking van een intra-abdominaal
orgaan, een acute ontsteking van de buikwand of een penetrerende verwonding
van de buikwand.
- De aandoening treedt uitsluitend op indien er
tegelijkertijd een verminderde functie van het immuunsysteem en een goede
voedingsbodem voor bacteriën in de buikholte bestaan. Daarom komt de
ontsteking voornamelijk voor bij patiënten met ascites ten gevolge van
levercirrose omdat bij deze patiënten de activiteit van het
reticulo-endotheliale systeem doorgaans verminderd is terwijl het
bactericide vermogen van de ascites-vloeistof vaak gering is.
- Bij levercirrose is de permeabiliteit van de darmwand
voor bacteriën verhoogd. Het gevolg is dat SBP meestal gramnegatieve aerobe bacteriën van de familie der Enterobacteriaceae als verwekker heeft.
Slechts 30% van de gevallen wordt veroorzaakt door andere bacteriën.
Meestal betreft het dan niet-enterale Streptococcus spp. Stafylococcen
spelen geen belangrijke rol. Anaërobe en micro-aerofiele bacteriën zijn ook
van weinig betekenis.
- De permeabiliteit van de darmwand voor bacteriën neemt
verder toe als zich bij de levercirrose een gastro-intestinale bloeding
voordoet.
- Als patiënten met ascites ten gevolge van
gedecompenseerde levercirrose worden opgenomen, is de kans dat ze SBP hebben
bij het begin van de opname 5-15%. Als ze deze complicatie bij het begin van de opname niet hebben,
is de kans dat ze gedurende de opname alsnog SBP ontwikkelen eveneens 5-15%.
- De klassieke symptomen van peritonitis zijn slechts bij
een beperkt deel van de patiënten met SBP aanwezig.
- Niet zelden zijn de eerste verschijnselen:
- hypothermie,
- braken,
- diarree,
- hepatische encefalopathie,
- gastro-intestinale bloeding,
- verslechtering van de nierfunctie,
- snelle toename van de ernst van de ascites.
- Het oriënterend laboratoriumonderzoek is over het
algemeen van weinig hulp voor het stellen van de diagnose.
- Omdat het ziektebeeld weinig karakteristieke
verschijnselen heeft, moet bij elke patiënt met ascites ten gevolge van
levercirrose bij of kort na opname een diagnostische paracentese worden
verricht.
- De paracentese dient herhaald te worden als zich
tijdens de opname zonder duidelijke andere oorzaak één of meer van de
volgende verschijnselen voordoen:
- lokale tekenen van peritonitis, zoals:
- buikpijn,
- loslaatpijn,
- veranderingen in de gastro-intestinale motiliteit, zoals braken, diarree of ileus,
- systemische tekenen van infectie, zoals:
- koorts,
- hypothermie,
- leukocytose,
- septische shock,
- snelle toename van de decompensatie van de
levercirrose, zoals:
- het ontstaan of verergeren van hepatische encefalopathie,
- het optreden van een gastro-intestinale bloeding
- verslechtering van de nierfunctie,
- snelle toename van de ernst van de ascites.
- In het verkregen vocht dient het volgende te worden
nagegaan:
- het aantal leukocyten per liter en de
differentiatie ervan,
- de eiwit-, albumine-, LDH-, glucose- en
amylase-concentraties,
- de aan- of afwezigheid van maligne cellen,
- de aan- of afwezigheid van bacteriën:
- door middel van een Gramkleuring,
- door middel van kweken, hierbij dient te worden
gebruik gemaakt van de methode om bloed te kweken en aan het ziekbed
moet zowel de fles met het aerobe medium als die met het anaërobe medium
worden gevuld met tenminste 10 ml ascitesvocht.
(N.B. In de ascites-vloeistof van patiënten met niet door
SBP gecompliceerde levercirrrose is het aantal leukocyten zelden groter dan
0,50x109/l (500/mm³) terwijl het aantal granulocyten vrijwel altijd kleiner is dan
0,25x109/l (250/mm³).
De eiwitconcentratie wisselt maar is meestal minder dan 15 g/l. De LDH-, glucose
en amylase-concentraties zijn ongeveer gelijk aan die in het serum.)
- Er bestaat SBP als het aantal granulocyten in de
ascites-vloeistof groter is dan 0,25x109/l (250/mm³).
- Wegens de geringe bacteriedichtheid in de ascites bij
het begin van de ontsteking is de Gramkleuring bij slechts een klein deel
en de kweek bij 60-90% van de patiënten positief. In een groot deel van de
gevallen is het resultaat van de bloedkweek echter wel positief en zijn de
hierbij verkregen micro-organismen dezelfde als die welke de peritonitis
veroorzaken. Om deze reden dient bij iedere patiënt bij wie de diagnose SBP
is gesteld een bloedkweek te worden verricht alvorens te beginnen met de
behandeling.
- Op grond van de resultaten van de telling van de
granulocyten en het bacteriologisch onderzoek kunnen drie varianten van SBP
worden onderscheiden, te weten SBP met positieve kweek, SBP met negatieve
kweek en bacterascites. De karakteristieken van deze varianten zijn
samengevat in de tabel.
| Variant |
Aantal granulocyten |
Kweekresultaat |
| SBP met positieve kweek |
>0,25x109/l
(250/mm³) |
positief |
| SBP met negatieve kweek |
>0,25x109/l (250/mm³) |
negatief |
| Bacterascites |
<0,25x109/l (250/mm³) |
positief |
- Differentiaal diagnose van ascites-vocht dat rijk is
aan leukocyten of granulocyten:
- tuberculeuze peritonitis: het aantal leukocyten is
hoog maar bij differentiatie zijn nauwelijks granulocyten aanwezig,
- pancreatogene ascites: de amylase-concentratie is
zeer hoog,
- maligne ascites: het aantal leukocyten en
granulocyten kan verhoogd zijn maar de LDH-concentratie is dit doorgaans
ook, bovendien zijn nog al eens maligne cellen aanwezig,
- bloeding in het ascitesvocht: de vloeistof is rood
van kleur, zo nodig kan het gevonden granulocyten-aantal worden
gecorrigeerd voor de aanwezigheid van bloed door telling van het aantal
erythrocyten in het ascites-vocht per mm³ en door vervolgens per 250
erythrocyten één granulocyt van het gevonden aantal af te trekken,
- secundaire bacteriële peritonitis: hierbij dienen
tenminste twee van de volgende bevindingen in de ascites-vloeistof
aanwezig te zijn: een glucose-concentratie van minder dan 2,5 mmol/l, een
eiwit-concentratie van meer dan 10 g/l en een LDH-concentratie die hoger is dan die
in het serum; bij Röntgenonderzoek is vaak vrij lucht in de buikholte
aanwezig; het bacteriologisch onderzoek levert meestal meer dan een
verwekker op.
- SBP leidt zonder snelle en adequate behandeling tot de
dood. Chirurgisch ingrijpen is gecontraïndiceerd. Direct na het stellen
van de diagnose dient te worden begonnen met behandeling in de vorm van een
derde generatie cephalosporine zoals bijvoorbeeld ceftriaxon (Rocephin®).
Dit laatste antibioticum dient te worden gegeven in een dosering van één
maal per dag 2 g i.v. Er moet niet worden gewacht tot de kweekresultaten
bekend zijn. De therapie moet na het bekend worden van de verwekker zo nodig
worden aangepast. Als geen micro-organisme wordt gekweekt mag dit geen reden
zijn om de toediening van antibiotica te staken. De antibiotica dienen zowel
bij SBP met een positieve kweek als bij SBP met een negatieve kweek
gedurende minimaal 5 dagen te worden toegediend. Als na het bekend worden van de
kweekresultaten de diagnose bacterascites wordt gesteld moet de
diagnostische paracentese worden herhaald. Bij een aantal granulocyten
groter dan 0,25x109/l (250/mm³) dient te worden overgegaan tot behandeling. Bij een
aantal kleiner dan 0,25x109/l(250/mm³) moet het kweekresultaat opnieuw worden afgewacht.
Als dit voor de tweede maal positief is dan dient te worden behandeld. Als
dit inmiddels negatief is geworden dan hoeft geen verdere actie te worden
ondernomen.
- In principe mag tijdens een fase van SBP geen ontlastende
paracentese plaatsvinden.
- Het lukt in meer dan 90% van de gevallen om de infectie
afdoende te bestrijden. Toch overleeft ongeveer 30% van de patiënten met
SBP de ziekenhuisopname niet. Bij 70% van de overledenen is de doodsoorzaak
een hepato-renaal syndroom. Nierfunctiestoornissen die uit
kunnen monden in het hepato-renaal syndroom doen zich voor bij 30-40% van de
patiënten met SBP. Het optreden van de nierfunctiestoornissen kan in een
groot gedeelte van de gevallen worden voorkomen door binnen 6 uur na het
stellen van de diagnose intraveneus albumine toe te dienen in een dosering
van 1,5 g/kg lichaamsgewicht en door dit op de derde dag te herhalen in een
dosering van 1 g/kg lichaamsgewicht.
Omdat de micro-organismen die SBP veroorzaken meestal van
enterale origine zijn dient selectieve intestinale decontaminatie plaats te
vinden bij de patiënten die een hoog risico hebben om deze infectie te krijgen.
De profylaxe bestaat uit orale toediening van norfloxacine (Noroxin®). Tot de
categorie met een hoog risico behoren:
- patiënten die eerder een periode van SBP hebben
doorgemaakt, zij moeten continu norfloxacine gebruiken in een dosering van
400 mg/d
- patiënten met een eiwitconcentratie in de
ascites-vloeistof <10 g/l, zij moeten gedurende de opname norfloxacin
gebruiken in een dosering van 400 mg/d,
- patiënten met een gastro-intestinale bloeding bij of
gedurende de opname, zij moeten vanaf het optreden van de bloeding
gedurende tenminste 7 dagen norfloxacine gebruiken in een dosering van 800
mg/d, alvorens dit antibioticum voor te schrijven dient het reeds bestaan
van SBP te worden uitgesloten.
De gemiddelde levensverwachting na een doorgemaakte SBP is
6 maanden. Na genezing dient dan ook te worden nagegaan of de patiënt in
aanmerking komt voor een orthotope levertransplantatie.
Literatuur:
- Sort P, Navasa M, Arroyo V, Aleguer X, Planas R,
Ruiz-del-Arbol L, Castells L, Vargas V, Soriano G, Guevara M, Ginès P,
Rodés J. Effect of intravenous albumin in patients with cirrhosis and
spontaneous bacterial peritonitis. N Engl J Med 1999;341:403-9.
- Rimola A, García-Tsao G, Navasa M, Piddock LJV, Planas
R, Bernard B, Inadomi JM and the International Ascites Club. Diagnosis,
treatment and prophylaxis of spontaneous bacterial peritonitis: a consensus
document. J Hepatol 2000;32:142-53.
AJA 2-2000 REVISIE 7-2000