Protocol Palliatieve sedatie  (Bron KNMG richtlijn "Palliatieve sedatie")

 

Uitgangspunten

 

Palliatieve sedatie is 'het opzettelijk verlagen van het bewustzijn van een patiënt in de laatste levensfase'.Het doel is het verlichten van het lijden. Het verlagen van het bewustzijn is een middel om dat te bereiken. Het uitgangspunt is dat palliatieve sedatie een vorm van normaal medisch handelen is. Het is van groot belang dat palliatieve sedatie op juiste indicatie, proportioneel en adequaat wordt toegepast. Niet de mate van bewustzijnverlaging, maar de mate van symptoomcontrole bepaalt de dosering, de combinaties en de duur van de inzet van medicamenten die gebruikt worden bij palliatieve sedatie. Het verlagen van het bewustzijn om het lijden te verlichten is aan de orde in de laatste levensfase, waarin de dood op redelijk korte termijn verwacht wordt. 

De indicatie voor palliatieve sedatie wordt gevormd door het bestaan van één of meer onbehandelbare ziekteverschijnselen (refractaire symptomen), welke leiden tot ondraaglijk lijden van de patiënt. Een symptoom is of wordt refractair als geen van de conventionele behandelingen (voldoende snel) effectief zijn en/of deze behandelingen gepaard gaan met onaanvaardbare bijwerkingen. Pijn, dyspnoe en delier zijn de meest voorkomende refractaire symptomen die in de praktijk aanleiding geven tot het inzetten van palliatieve sedatie. Naast het bestaan van één of meer refractaire symptomen (indicatie) is het een voorwaarde voor diepe en continue sedatie dat het overlijden op redelijk korte termijn, dat wil zeggen binnen één tot twee weken wordt verwacht. In die situaties kan de arts besluiten te starten met palliatieve sedatie en dit in principe voort te zetten tot het overlijden. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat er bij diep en continu sederen, geen vocht kunstmatig wordt toegediend.

De vraag of begonnen moet worden met palliatieve sedatie kan aan de orde komen door een vraag van de patiënt en/of zijn naasten. Dat kan direct gebeuren (vraag om palliatieve sedatie) of indirect (vraag om het lijden weg te nemen). Ook de behandelend arts kan het initiatief nemen, omdat de situatie van de patiënt zich zo ontwikkelt dat naar zijn/haar mening een indicatie voor palliatieve sedatie bestaat dan wel gaat ontstaan.

In acute situaties waarin het niet mogelijk is voorafgaand aan het besluit tot palliatieve sedatie te overleggen heeft de behandelend arts de ruimte om op geleide van de toestand van de patiënt tot palliatieve sedatie te besluiten. In deze gevallen worden zo spoedig mogelijk daarna alsnog de hiervoor genoemde stappen gezet: vastlegging van de relevante informatie in het dossier en, wanneervan toepassing, bespreking met een consulent. 

Het kan bij een patiënt soms moeilijk zijn in te schatten of deze in de laatste levensfase is. In die situaties kan kortdurende of intermitterende palliatieve sedatie worden gestart. Consultatie van een terzake deskundige collega is hierbij geboden. Het weigeren van vocht door de patiënt is in deze situatie cruciaal. Het besluit om te starten met diep en continu sederen vindt plaats nadat de patiënt de beslissing heeft genomen geen vocht meer in te nemen, blijk heeft gegeven daar consistent in te zijn en er sprake is van een refractair symptoom.

In het geval van palliatieve sedatie is goede verslaglegging van groot belang. In de status moet worden vermeld: waarom tot palliatieve sedatie is besloten, hoe deze is uitgevoerd, hoe het effect wordt geëvalueerd en wat de criteria zijn om de dosering van de sedativa aan te passen. Informatie, en uitleg aan, alsmede samenwerking en evaluatie met de naasten zijn essentieel voor een goed beloop van de palliatieve sedatie en uiteindelijk een goed afscheid. 

Uitvoering 

Zorg voor (continuering van) adequate pijn-, dyspnoe- en delierbehandling. Sedatie is hiervoor geen alternatief. Stop overige medicatie die geen palliatief nut heeft. Stop (par)enterale toediening van vocht en voeding. 

Bij het inzetten van palliatieve sedatie wordt meestal gebruik gemaakt van een stapsgewijze benadering.Indien bij een adequate dosering niet het gewenste effect wordt bereikt, kan worden overgegaannaar de volgende stap.

 

  Middel

Bolus

Continue Dosering
Stap 1 Midazolam 5-10 mg s.c./i.v. z.n na 1-2 uur herhalen 0,5-2,5 mg/uur s.c./i.v., bij onvoldoende effect iedere 1-2 uur verdubbelen.; eventueel gecombineerd met het geven van een bolus. Bij doseringen > 20 mg/uur zie stap 2.
Stap 2 Levopromazine 25 mg s.c./i.v. eventueel na 2 uur 50 mg. 0,5-8 mg s.c./i.v. per uur in combinatie met midazololam. Bij onvoldoende effect midazolam en levopromazine staken. Zie stap 3.
Stap 3 Fenobarbital 100-200 mg s.c./i.v. 40 mg/uur s.c/i.v  eventueel na 24 uur ophogen tot 60 mg/uur. Bij ovoldoende effect fenobarbital staken, zie stap 4
Stap 4 Propofol 20-50 mg/i.v. 20 mg/uur i.v. per 15 minuten met 10 mg/uur ophogen. Toediening onder supervisie anesthesioloog raadzaam. Kan in het ziekenhuis ook als stap 2 overwogen worden.

 

Midazolam is het meest gebruikte sedativum als het gaat om palliatieve sedatie.

De gekozen startdosis van midazolam is afhankelijk van een aantal factoren:

Wanneer een patiënt ouder is, een laag lichaamsgewicht heeft, niet eerder behandeld is met benzodiazepines en er geen noodzaak is voor een snel effect, dan heeft een lagere dosis (0,5-1 mg/uur) de voorkeur. Indien er wel een snel effect gewenst is kan worden gestart met een hogere dosis (2-2,5mg/uur) en kan eerst een bolusinjectie gegeven worden. Bij patiënten die delirant reageren op de inductie van de sedatie (zeldzame, maar bekende complicatie,met name bij kinderen en oudere patiënten) is het raadzaam de dosering snel op te hogen. Wanneer een patiënt delirant is, is sedatie in combinatie met een antipsychoticum aangewezen. De voorkeur gaat uit naar haloperidol, oplaaddosis 5 mg sc/iv, zonodig per 24 uur 1 of 2 maal te herhalen in een dosering van 1 of 2 mg sc/iv.

FCL 09-2007